Na jarenlang samen te zijn geweest is het alleen-zijn zwaar. Thuis komen in een leeg huis, stil en donker. Niemand die de deur voor me open doet als ik mijn handen vol heb. Niet iemand die me een handdoek aangeeft als ik druipend van de regen op de mat sta.
’s Avonds zit ik in mijn eentje op de bank. Ik kijk tv, maar er blijft niets hangen. Lezen lukt al helemaal niet, ik heb de concentratie van een goudvis.
Ik voel me leeg en moe, heb nergens energie voor. Alles is teveel. Als ik een vriendin vertel dat ik zo’n drukke week heb gehad, lacht ze me nog net niet uit. Wat voor mij veel is in één week, past voor haar in één dag. Maar voor mijn volle rouwbrein is alles al snel teveel.
Na die drukte heb ik de rust nodig, maar vervolgens vliegt de stilte me aan. Ik voel me eenzaam.
In mijn eentje kan ik de eenzaamheid toelaten. Het is nog erger om me eenzaam te voelen in gezelschap. Er zijn bekenden om me heen die hun eigen gang gaan, mij niet zien. Ik hou de schijn op en laat mijn pijn en verdriet niet zien. Mijn gevoel van eenzaamheid wordt wel dubbel zo groot.
Gelukkig zijn er ook mensen waarbij ik me veilig voel: vrij om te praten, te huilen of stil te zijn. Nog steeds voel ik me eenzaam, maar de aandacht en betrokkenheid vormen een verwarmend coconnetje waarin mijn verdriet beter te verdragen is.